Nog steeds zijn er boerenzwaluwen waargenomen, blijkbaar zijn ze doorlopend op trek. Net als in iedere herfst is dit de tijd om, relatief gemakkelijk, watersnippen te zien. Gedurende het voorjaar en dezomer zijn ze veel meer verscholen, en waarschijnlijk, ook in kleinere aantallen aanwezig in ons land. In de herfst lijken ze minder schuw en zijn ze vaker te zien in open ruimten bij water, ook in groepjes. Dat was duidelijk, omdat er negen tegelijk vlogen. Heel opvallend was ook dat de lucht steeds vol was van het ijle gepiep van graspiepers; voor de tellingen een nieuwe soort. Het was de eerste keer dat er überhaupt graspiepers werden waargenomen, omdat dit een vogel is die altijd heel algemeen is in de polders. Maar het waren er dan ook meteen veel! De kolganzen en de smienten waren weer terug uit het hoge noorden. Bijzonder dat die dieren toch altijd weer de weg weten te vinden, naar het zuiden. Dat tijdens de tellingen van beperkte duur het toeval een rol speelt, wordt aangetoond doordat er bijv. geen zilver- en kleine mantelmeeuwen, scholeksters en wulpen werden geregistreerd, terwijl die toch in aantallen in de omgeving aanwezig waren.

Vorig artikelOngedierte
Volgend artikelBruna